print deze pagina

Gelijkwaardigheid als sleutel


-Emmy van den Heuvel-
Symposium VMDB 25 jaar 11 mei 2012

Gaat u maar even zitten, u wordt zo opgehaald’, zegt de mevrouw achter de balie.
Links en rechts in de ruimte zie ik een rij stoelen.
Waar zal ik gaan zitten? Het zweet breekt me uit.
Ik zoek een plek zo ver mogelijk in de hoek.

Er loopt een gang dwars door de wachtruimte. Twee mensen met ieder een pieper, lopen langs me. Vast hulpverleners. Een van hen schiet in de lach, de ander lacht mee.
Lachen ze om mij?

Het is tien voor half drie, mijn afspraak was om twee uur.
Elke minuut lijkt wel een uur te duren. Zouden ze me vergeten zijn?
‘Mevrouw van den Heuvel?’, hoor ik iemand vragen. Ik sta op en loop zijn richting uit.
Hij stelt zich voor en zegt: ‘Gaat u met mij mee?’
Hij loopt snel, ik sukkel achter hem aan.
‘Gaat u zitten, het spijt me dat het twintig minuten later is geworden, er kwam iets tussen.’

Dan gaat zijn telefoon. Een kort gesprek.
‘Sorry, dit was even nodig, het spijt me.
Ik zal uw gegevens naar voren halen’.

Hij leest hardop voor vanaf het scherm.
Het gaat over mij, maar het gaat zo snel. Ik kan het niet volgen.
‘Zal ik het nog even herhalen?’ vraagt hij.
‘Eh..nee hoor, het is wel duidelijk zo,’ zeg ik aarzelend.

Een paar weken later volgde mijn opname.
Wat ik me daarvan vooral herinner, is dat alles me overspoelde en me nog angstiger maakte dan ik al was.

Al die vragen tijdens het eerste gesprek.
De rondleiding over de afdeling tijdens het eten.
Mensen die me aanstaarden.
Mijn kamer met de smoezelige kast en het vieze luchtje.
De map vol informatie. Het dagprogramma op de deur.

Ik durfde niet te zeggen dat ik bang was voor de starende mensen.
Ik durfde niet te zeggen hoe naar ik me voelde in die vreemde kamer.
Ik durfde niet te zeggen dat lezen me al heel lang niet meer lukte.
Ik durfde niet te zeggen dat ik het benauwd kreeg van alles wat er op een dag van me werd verwacht.

Ik was zwaar depressief en totaal afhankelijk van de hulpverlening.
Het was goed en nodig dat toen de regie van mij werd overgenomen.

Is gelijkwaardigheid in zo’n situatie dan nog wel mogelijk?

Essentieel is dat hulpverlener en patiënt, ondanks het grote verschil in afhankelijkheid, iets gemeenschappelijks delen. Namelijk simpelweg het mens-zijn. Het samen mens-zijn is de sleutel om bij gelijkwaardigheid uit te komen.
‘Niets nieuws, ik werk altijd vanuit dit samen mens-zijn’, zult u wellicht denken. Maar is dat écht zo?

Laten we even teruggaan naar mijn eerste kennismaking met de PAAZ.
Naar de voor mij onbekende wachtruimte.
Naar de minuten die voor mij uren lijken te duren.
Naar de arts die voor me uitloopt.
Vraagt of hij het even moet herhalen.
En naar mij, angstig, en te bang om te zeggen dat ik het niet kan volgen.

Als gelijkwaardigheid de sleutel was geweest, dan had iemand mij verteld dat het later zou worden voor ik aan de beurt was.
Dan had de arts náást mij opgelopen naar zijn kamer, even gevraagd hoe mijn reis was geweest of zomaar iets ‘gewoons’ gezegd.
Net zoals hij dat zou doen met een collega.
Dan had hij afgestemd op mijn tempo en mijn bevattingsvermogen van dat moment.

Dan zou het bij mijn opname anders zijn gegaan.
Niet zoveel vragen tijdens een eerste gesprek.
De rondleiding niet tijdens het eten, maar op een rustig moment.
De kamer schoon en goed gelucht.
Het dagprogramma en alle informatie pas later, stukje bij beetje.

Denk niet dat dit nu nauwelijks meer voor komt. Nog steeds hoor ik in mijn werk binnen de GGZ verhalen over vieze kamers, te intensieve eerste gesprekken en de hoeveelheid niet te bevatten informatie.

Is het wel zo eenvoudig om, als psychiater, spv-er of welke hulpverlener dan ook, een deel van de hulpverlenersrol los te laten en in plaats daarvan het mens-tot-menscontact op te zoeken?
Wat betekent dat voor u als hulpverlener?

Het betekent bijvoorbeeld dat je, zonder iets te willen doen of zeggen, bij een diep depressieve patiënt kunt zijn. En vooral dat je dan daarbij je eigen machteloosheid weet uit te houden.

Het betekent dat je zegt: ‘Ik zie hoe moeilijk je het hebt’ in plaats van ‘Ik begrijp dat je het moeilijk hebt’.
Immers, alleen als je zélf de hel van de depressie kent, kun je mogelijk íets begrijpen van de depressie van een ander.

Het betekent dat je je kunt voorstellen dat, als iemand stopt met het nemen van medicatie, het een vorm van ‘regie in eigen hand houden’ zou kunnen zijn, in plaats van gebrek aan ziekte-inzicht.

Het betekent dat je, als iemand in de euforie van de manie lijkt te komen, niet meteen over medicatie begint, maar iets zegt als: ‘Ik kan je niet bijhouden, je gaat zo snel. Ik maak me zorgen, maar ik weet niet goed wat ik moet doen.’

De hulpverleenster die destijds op deze wijze haar eigen onmacht met mij deelde, zorgde daarmee onbewust voor gelijkwaardigheid. Zij keek op dat moment voorbij het ziektebeeld. Daardoor vertrouwde ik haar en kwam er ruimte om samen verder te kijken.

Gelijkwaardigheid betekent ook dat je het zegt als je zelf een keer niet goed in je vel zit.
Dat je het zegt als je er misschien met je hoofd niet goed bij bent omdat je een moeilijke periode doormaakt.
Vraag of de cliënt, ondanks dat, toch door wil gaan met het gesprek.
Mocht dit niet het geval zijn, bied dan een andere mogelijkheid.
Als je niets zegt voelt de ander het vaak toch wel.
Het delen van je eigen stemming, zónder daarbij in details te treden, zorgt voor een waardevol samen mens-zijn.

Mens tot menscontact betekent dat je oprecht benieuwd bent, in plaats van non-verbaal ‘het zal wel’ uit te stralen, als iemand zegt baat te hebben bij alternatieve zaken als klankschalen of mantra’s zingen.
Het zoeken door cliënten naar niet-reguliere ondersteuning duidt op eigen kracht en deze eigen kracht is een kostbaar goed.

Ook kostbaar zijn de hulpverleners die voorbij reguliere kaders kijken en de grenzen van protocollen opzoeken. Zoals de spv-er die met zijn collega’s had geregeld dat hij op zondag een uur lang met me kon gaan lopen omdat hij had gezien dat ik, door mijn eindeloze rondjes in de binnentuin, mijn onrust probeerde te beheersen.

En kostbaar zijn de hulpverleners die hun eigen pijn en onvermogen in de ogen durven zien waardoor zij dichterbij de lijdende medemens kunnen zijn.

Tot slot nog even dit.
Een paar weken geleden liep ik op een GGZ-lokatie onverwacht de psychiater tegen het lijf die zeven jaar geleden van grote waarde voor mij is geweest.
In die tijd werkte hij in mijn woonplaats als vrijgevestigde psychiater.
Ik vertelde hem enkele van de dingen die mij toen zo goed hadden gedaan.

Bij ons eerste gesprek wees hij mij op een klokje op zijn bureau.
Hij zei: ‘Ik ben niet zo goed in het bewaken van de tijd.
Inmiddels weet ik hoe belangrijk het is voor mensen als hun gesprek op tijd begint.
Wil je mij helpen om op de tijd te letten?’
Het feit dat hij begon om een menselijke kant van zichzelf te laten zien, deed me goed.

Later, toen ik was opgenomen, is hij bij me op bezoek geweest.
Hij checkte of de informatie die hij vanuit de PAAZ te horen had gekregen klopte met wat mij was verteld.
Ik voelde me daardoor zeer gezien.

Ik wilde hem deze dingen vertellen omdat ik heb gemerkt dat hulpverleners zo weinig terug horen welke ondersteuning van wezenlijk belang is geweest voor de cliënt.
Hij waardeerde dat zeer.
Hij vertelde me op zijn beurt dat inmiddels wel is gebleken dat de echte kennis maar voor 15% uit boeken komt. Het grootste deel is mensenwerk.

Ik ben ervan overtuigd dat dit ook zo is.
Het grootste deel is mensenwerk.

Mens tot menscontact binnen het onmiskenbare verschil in afhankelijkheid tussen hulpverlener en patiënt, dát is de sleutel die tot gelijkwaardigheid leidt.

Ik wens ons allen die sleutel van harte toe.

 

Gelijkwaardigheid wordt zichtbaar als hulpverleners:

  • Samen oplopen, letterlijk en figuurlijk
  • Afstemmen op tempo en bevattingsvermogen
  • Eigen machteloosheid weten uit te houden
  • Aanwezig kunnen zijn zonder meteen iets te willen doen
  • Ik begrijp’ weten om te buigen naar’ik zie’
  • Beseffen dat stoppen met medicatie vooral iets zegt over regie in eigen hand houden i.p.v. gebrek aan ziekte-inzicht
  • Eigen onmacht delen
  • Eigen pijn in de ogen kunnen zien
  • De eigen stemming kenbaar maken
  • Openstaan voor niet-reguliere wensen
  • Voorbij de diagnose kijken
  • Grenzen van protocollen opzoeken
  • Checken of ze de ander goed begrijpen
  • Beseffen dat echte kennis maar voor 15% uit boeken komt
  • Beseffen dat het grootste gedeelte mensenwerk is
  • Beseffen dat, ondanks het verschil in afhankelijkheid gelijkwaardigheid de sleutel is